De onderstaande oefeningen zijn niet het werk van onze hand.
Bij deze danken wij alle IT-ers die deze oefeningen samengesteld hebben.
Wij kunnen u dan echter ook GEEN ondersteuning geven bij deze pagina's
(indien vb het spel niet meer correct functioneert, links verbroken zijn...)

Kleuters     1ste lj.     2de lj.     3de lj.     4de lj.     5de lj.     6de lj.

Kleuters

1. Welke blokken horen samen?
2. Welke blokken horen samen?
3. Welke blokken horen samen?
4. Welke blokken horen samen?
5. Welke blokken horen samen?
6. Welke blokken horen samen?
7. Welke blokken horen samen?
8. Welke blokken horen samen?
9. Welke blokken horen samen?
10. Welke blokken horen samen?

Terug naar boven

Eerste leerjaar

TAAL 

      Taalbeschouwing

      Schrijven

 Terug naar boven

WISKUNDE

      Bewerkingen

      Metend rekenen

Terug naar boven

WERELDORIËNTATIE

Terug naar boven

Tweede leerjaar

TAAL

      Schrijven

      Luisteren

      Taalbeschouwing

 Terug naar boven

WISKUNDE

      Bewerkingen

      Metend rekenen

 Terug naar boven

WERELDORIËNTATIE

      Ruimte

      Natuur

      Tijd

SOCIALE VAARDIGHEDEN

Terug naar boven

Derde leerjaar

TAAL

      Taalbeschouwing

      Schrijven

 Terug naar boven

WISKUNDE

      Bewerkingen

      Getallenkennis

      Metend rekenen

 Terug naar boven

WERELDORIËNTATIE

      Natuur

      Tijd

      Piramide

Terug naar boven

Vierde leerjaar

TAAL

      Taalbeschouwing

      Schrijven

 Terug naar boven

WISKUNDE

      Bewerkingen

      Getallenkennis 

      Meetkunde

      Metend rekenen

 Terug naar boven

WERELDORIËNTATIE

      Ruimte

      Natuur

      Tijd

Terug naar boven

Vijfde leerjaar

TAAL

    Taalbeschouwing - Taalsignaal 5

    Schrijven

    Schrijven - Taalsignaal 5

 Terug naar boven

FRANS

EVENTAIL - JUNIOR  Bien sûr  

OEFENINGEN OM TE MAKEN

Unité 1:

oefening A: woorden correct invullen

oefening B: correcte zinnen maken

oefening C: zinnen juist rangschikken

oefening D: ontbrekende woorden invullen

oefening E: vul in: de of d'

oefening F: zinnen maken (sleepoefening)

Unité 2:

oefening A: vul aan met 'mon ...' of 'ma ...'

oefening B: zeggen vanwaar iemand is

oefening C: correcte zinnen maken

oefening D: je, tu, il of elle

oefening E: de correcte vorm van 'être'

oefening F: zinnen juist rangschikken

oefening G: zinnen maken (sleepoefening)

 

Unité 3:

oefening A: de juiste vorm van het b.n.

oefening B: het juiste antwoord op een vraag

oefening C: zinnen vertalen naar het Frans

oefening D: woorden vertalen

oefening E: zinnen maken (sleepoefening)  

Unité 4:

oefening A: correcte zinnen maken

oefening B: woorden correct invullen

oefening C: zinnen "vrouwelijk" maken

oefening D: woorden vertalen

oefening E: zinnen vertalen

oefening F: zinnen maken (sleepoefening)

Unité 5:

oefening A: correcte zinnen maken

oefening B: zinnen ontkennend maken

oefening C: woorden correct invullen

oefening D: woorden vertalen

oefening E: zinnen vertalen

oefening F: zinnen maken (sleepoefening)

oefening G: zinnen bij de juiste prent

 

Unité 6:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: woorden bij de juiste prent

oefening C: zinnen maken (sleepoefening)

oefening D: het meervoud van z.n.

oefening E: zinnen vertalen

oefening F: het b.n. op de juiste plaats

Unité 7:

oefening A: woorden correct invullen

oefening B: de juiste vorm van être

oefening C: zinnen maken (sleepoefening)

oefening D: welk antwoord bij welke vraag

oefening E: zinnen vertalen

oefening F: het juiste voorzetsel

oefening G: où of ou

oefening H: het juiste onderwerp

Unité 8:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: quiz -stripfiguren in het Frans

oefening C: de juist vorm van het b.n.

oefening D: zinnen maken (sleepoefening)

oefening E: schrijf in het meervoud (1)

oefening F: schrijf in het meervoud (2)

oefening G: zinnen vertalen

 

Unité 9:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: zinnen maken (sleepoefening)

oefening C: van onbepaald ® bepaald lidwoord

oefening D: van bepaald ® onbep.lidw.

oefening E: het juiste vervolg

oefening F: zinnen vertalen

 

Unité 10:

oefening A: Qu'est-ce que c'est?

oefening B: de correcte vorm van avoir

oefening C: de juiste vorm van être of avoir

oefening D: zinnen maken (sleepoefening)

oefening E: zinnen vertalen

 

Unité 11:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: zinnen maken (sleepoefening)

oefening C: Hoeveel euro?

oefening D: ontkennend antwoorden

Unité 12:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: aimer, chanter, porter

oefening C: zinnen maken (sleepoefening)

oefening D: kleding benoemen (sleepoefening)

oefening E: zinnen vertalen

 

Unité 13:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: écouter, poser, raconter

oefening C: de juiste vorm van het b.n.

oefening D: Wie is het?

oefening E: zinnen maken (sleepoefening)

oefening F: zinnen vertalen

Unité 14:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: het juiste antwoord op een vraag

oefening C: tu of vous?

oefening D: de juiste vorm van s'appeller

oefening E: zinnen maken (sleepoefening)

oefening F: zinnen vertalen

Unité 15:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: Hoe laat is het?

oefening C: changer, arriver, regarder

oefening D: zinnen maken (sleepoefening)

oefening E: zinnen vertalen

 

Unité 16:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: de juiste vorm van aller

oefening C: het juiste voorzetsel

oefening D: zinnen maken (sleepoefening)

oefening E: zinnen vertalen

 

Unité 17:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: getallen in cijfers (invuloef.)

oefening C: getallen in cijfers (sleepoef.)

oefening D: zinnen maken (sleepoefening)

oefening E: zinnen vertalen

 

Unité 18:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: quel(s) of quelle(s)?

oefening C: de juiste vorm van faire

oefening D: zinnen maken (sleepoefening)

oefening E: zinnen vertalen

 

Unité 19:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: quel temps fait-il?

oefening C: het juiste bn.

oefening D: zinnen maken (sleepoefening)

oefening E: zinnen vertalen

 

Unité 20:

oefening A: woorden vertalen

oefening B: de juiste vorm van pouvoir

oefening C: het juiste antwoord op een vraag

oefening D: zinnen maken (sleepoefening)

oefening E: zinnen vertalen

Terug naar boven 

VERTALINGEN:

Unité 1: Frans - Nederlands

Unité 2: Frans - Nederlands

Unité 2: vervoeging être (F-N) - 1° deel

Unité 3: Frans - Nederlands

Unité 4: Frans - Nederlands

Révision 1 - 4: kruiswoordraadsel Fr.-Ned.

Unité 5: Frans - Nederlands

Unité 6: Frans - Nederlands

Unité 6: tellen tot 12 (F-N) - invuloefening

Unité 6: tellen tot 12 (F-N) - sleepoefening

Unité 7: Frans - Nederlands

Unité 7: vervoeging être (F-N) - invuloefening

Unité 7: vervoeging être (F-N) - sleepoefening

Unité 8: Frans - Nederlands

Révision 5 - 8: kruiswoord 1 Fr.-Ned.

Révision 5 - 8: kruiswoord 2 Fr.-Ned.

Unité 9: Frans - Nederlands

Unité 10: Frans - Nederlands

Unité 10: vervoeging avoir (F-N) - invuloefening

Unité 10: vervoeging avoir (F-N) - sleepoefening

Unité 11: Frans - Nederlands

Unité 12: Frans - Nederlands

Unité 12: vervoeging ww. op -ER (in volgorde)

Révision 9 - 12: kruiswoord 1 Fr.-Ned.

Révision 9 - 12: kruiswoord 2 Fr.-Ned.

Unité 13: Frans - Nederlands

Unité 14: Frans - Nederlands

Unité 15: Frans - Nederlands

Unité 16: Frans - Nederlands

Unité 16: vervoeging aller (in volgorde)

Révision 13 - 16: kruiswoord 1 Fr.-Ned.

Révision 13 - 16: kruiswoord 2 Fr.-Ned.

Unité 17: Frans - Nederlands

Unité 18: Frans - Nederlands

Unité 18: vervoeging faire (in volgorde)

Unité 19: Frans - Nederlands

Unité 20: Frans - Nederlands

Unité 20: vervoeging pouvoir (in volgorde)

Révision 17 - 20: kruiswoord 1 Fr.-Ned.

Révision 17 - 20: kruiswoord 2 Fr.-Ned.

Unité 1: Nederlands - Frans

Unité 2: Nederlands - Frans

Unité 2: vervoeging être (N-F) - 1° deel

Unité 3: Nederlands - Frans

Unité 4: Nederlands - Frans

Révision 1 - 4: kruiswoordraadsel Ned.-Fr.

Unité 5: Nederlands - Frans

Unité 6: Nederlands - Frans

Unité 6: tellen tot 12 (N-F) - invuloefening

Unité 6: tellen tot 12 (N-F) - sleepoefening

Unité 7: Nederlands - Frans

Unité 7: vervoeging être (N-F) - invuloefening

Unité 7: vervoeging être (N-F) - sleepoefening

Unité 8: Nederlands - Frans

Révision 5 - 8: kruiswoord 1 Ned.-Fr.

Révision 5 - 8: kruiswoord 2 Ned.-Fr.

Unité 9: Nederlands - Frans

Unité 10: Nederlands - Frans

Unité 10: vervoeging avoir (N-F) - invuloefening

Unité 10: vervoeging avoir (N-F) - sleepoefening

Unité 11: Nederlands - Frans

Unité 12: Nederlands - Frans

Unité 12: vervoeging ww. op -ER (door elkaar)

Révision 9 - 12: kruiswoord 1 Ned.-Fr.

Révision 9 - 12: kruiswoord 2 Ned.-Fr.

Unité 13: Nederlands - Frans

Unité 14: Nederlands - Frans

Unité 15: Nederlands - Frans

Unité 16: Nederlands - Frans

Unité 16: vervoeging aller (door elkaar)

Révision 13 - 16: kruiswoord 1 Ned.-Fr.

Révision 13 - 16: kruiswoord 2 Ned.-Fr.

Unité 17: Nederlands - Frans

Unité 18: Nederlands - Frans

Unité 18: vervoeging faire (door elkaar)

Unité 19: Nederlands - Frans

Unité 20: Nederlands - Frans

Unité 20: vervoeging pouvoir (door elkaar)

Révision 17 - 20: kruiswoord 1 Ned.-Fr.

Révision 17 - 20: kruiswoord 2 Ned.-Fr.

Terug naar boven

WERELDORIËNTATIE

      Natuur

      Ruimte

Terug naar boven

Zesde leerjaar

TAAL

      Taalbeschouwing

      Taalbeschouwing - Taalsignaal

      Zinsontleding

      Zinsontleding - Taalsignaal

      Woordsoorten

      Woordsoorten - Taalsignaal

      Begrijpend lezen

      Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen

      Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen - Taalsignaal

      Schrijven

      Schrijven - Taalsignaal

 Terug naar boven

WISKUNDE

     Bewerkingen

      Getallenkennis

      Meetkunde

      Meten en metend rekenen

 Terug naar boven

FRANS

EVENTAIL - JUNIOR  Bien sûr
Frans inoefenen voor het 6de leerjaar

VERTALINGEN:

Unité 21: Frans - Nederlands

Unité 22: Frans - Nederlands

Unité 23: Frans - Nederlands

Unité 23: Les mois - De maanden

Unité 24: Frans - Nederlands

Révision 21 - 24: kruiswoord 1 Fr.-Ned.

Révision 21 - 24: kruiswoord 2 Fr.-Ned.

Unité 25: Frans - Nederlands

Unité 25: partir - dormir - sortir (vertalen)

Unité 26: Frans - Nederlands

Unité 27: Frans - Nederlands

Unité 27: vervoeging venir (in volgorde)

Unité 28: Frans - Nederlands

Révision 25 - 28: kruiswoord 1 Fr.-Ned.

Révision 25 - 28: kruiswoord 2 Fr.-Ned.

Unité 29: Frans - Nederlands

Unité 30: Frans - Nederlands

Unité 30: de rangtelwoorden (sleepoefening 1)

Unité 30: de rangtelwoorden (sleepoefening 2)

Unité 30: vervoeging prendre (in volgorde)

Unité 31: Frans - Nederlands

Unité 32: Frans - Nederlands

Unité 32: vervoeging vouloir (in volgorde)

Révision 29 - 32: kruiswoord 1 Fr.-Ned.

Révision 29 - 32: kruiswoord 2 Fr.-Ned.

Unité 33: Frans - Nederlands

Unité 33: vervoeging attendre (in volgorde)

Unité 34: Frans - Nederlands

Unité 34: Les jours - de dagen (sleepoefening)

Unité 35: Frans - Nederlands

Unité 36: Frans - Nederlands

Révision 33 - 36: kruiswoord 1 Fr.-Ned.

Révision 33 - 36: kruiswoord 2 Fr.-Ned.

Unité 37: Frans - Nederlands

Unité 38: Frans - Nederlands

Unité 39: Frans - Nederlands

Révision 37 - 39: kruiswoord 1 Fr.-Ned.

Révision 37 - 39: kruiswoord 2 Fr.-Ned.

Unité 21: Nederlands - Frans

Unité 22: Nederlands - Frans

Unité 23: Nederlands - Frans

Unité 23: De maanden - Les mois

Unité 24: Nederlands - Frans

Révision 21 - 24: kruiswoord 1 Ned.-Fr.

Révision 21 - 24: kruiswoord 2 Ned.-Fr.

Unité 25: Nederlands - Frans

Unité 25: partir - dormir - sortir (aanvullen)

Unité 26: Nederlands - Frans

Unité 27: Nederlands - Frans

Unité 27: vervoeging venir (door elkaar)

Unité 28: Nederlands - Frans

Révision 25 - 28: kruiswoord 1 Ned.-Fr.

Révision 25 - 28: kruiswoord 2 Ned.-Fr.

Unité 29: Nederlands - Frans

Unité 30: Nederlands - Frans

Unité 30: de rangtelwoorden (vertalen 1)

Unité 30: de rangtelwoorden (vertalen 2)

Unité 30: vervoeging prendre (door elkaar)

Unité 31: Nederlands - Frans

Unité 32: Nederlands - Frans

Unité 32: vervoeging vouloir (door elkaar)

Révision 29 - 32: kruiswoord 1 Ned.-Fr.

Révision 29 - 32: kruiswoord 2 Ned.-Fr.

Unité 33: Nederlands - Frans

Unité 33: vervoeging attendre (door elkaar)

Unité 34: Nederlands - Frans

Unité 34: De dagen - les jours (invuloefening)

Unité 35: Nederlands - Frans

Unité 36: Nederlands - Frans

Révision 33 - 36: kruiswoord 1 Ned.-Fr.

Révision 33 - 36: kruiswoord 2 Ned.-Fr.

Unité 37: Nederlands - Frans

Unité 38: Nederlands - Frans

Unité 39: Nederlands - Frans

Révision 37 - 39: kruiswoord 1 Ned.-Fr.

Révision 37 - 39: kruiswoord 2 Ned.-Fr. 

 Terug naar boven

WERELDORIËNTATIE

     Ruimte

      Natuur

      Tijd

MUZISCHE VORMING

SOCIALE VAARDIGHEDEN

       Puberliefde: gedicht

Terug naar boven